Ik
respecteer de privacy van anderen. Uit principe. En uit zelfbescherming. Mijn
kop roteert zo al 24/7 als een Jack Russel op speed, dat ik echt geen nood heb
aan het mijzelf nodeloos zot maken met verwarrende informatie. Ik kan ook geen
geheimen bewaren. Zo had ik beloofd te zwijgen toen mijn neef mij toevertrouwde
dat mijn broer peter zou worden van zijn eerstgeborene. Ik kon het niet laten
mijn broer toe te fluisteren dat hij dringend eens moet langsgaan bij het gezin
in wording. Achterlijk is mijn bloedverwant niet, dus de verrassing was meteen
verast. Nog een voorbeeld van mijn episch falende mond: mijn Turkse collega,
een negentienjarig perfect opgemaakt (want ze wil schoonheidsspecialiste
worden, ahja) en hooggehakt knap ding gaf met het schaamrood op de wangen toe
dat ze geen maagd meer was en dat haar familie haar zou buitengooien als dat
ooit uitkomt. Et voilà, ik gooi dat zomaar online. Ik ga naar de hel. Sowieso.
Ik heb
mezelf dus opgelegd niet langer op zoek te gaan naar wat mij en anderen rondom
mij schade kan toebrengen (het roken niet meegerekend, désolée). Als mijn
liefste ijverig ons bezwete bed verlaat om naar de les te gaan en ik braaf op
hem wacht met koffie en Goedeles als verstrooiing, ga ik bewust niét op zoek
naar Dat Wat Niet Gezien Mag Worden.
En met reden. Wie niet horen wil, moet voelen: terwijl Vagebond vorige week lustig aan het paperen
was en Goedele mij niet langer kon boeien, werd ik overmand door een verlangen
om zijn kindertijd te ontdekken. Hij wees mij de lade met fotoalbums en ik ging
aan het snuisteren. De toorn Gods liet niet lang op zich wachten. Het eerste
album dat ik opensloeg ging inderdaad over zijn kindertijd. Met name de tijd
waarin hij nog zorgeloos rondzweefde in zijn moeders baarmoeder en zij zich vol
overgave tentoonspreidde voor vaderliefs klikgrage camera. Oh the horror! Zijn
ouders stammen nog uit het tijdperk waarin scheren onnatuurlijk leek en het
lichaam als geschenk van de natuur in vol ornaat aanbeden moest worden. Mama
Vagebond nadien recht in de ogen kijken was een ware kwelling.
Ooit greep
ik onwetend en nieuwsgierig (ik blijf wel een vrouw, quoi) naar zijn
fototoestel op een van die zalige voormiddagen waarop ik huisvrouw kan spelen
tot manlief zijn voeten onder tafel schuift. Het duivelsgebroed stond op de
koffietafel en ik dronk toevallig net koffie. En ja hoor, tussen de
vakantiekiekjes uit Lyon, Sardinië en New York preek plots het guitige
gezichtje van een blond, slank, blauwogig en lipgepiercet meisje: de Ex. Hun
trip naar de zee stond in 30 frames voor eeuwig op mijn netvlies gebrand. Hoe
ze samen lachten, kusten, verliefd naar elkaar staarden. Ik walgde ervan.
Het
twijfelen kon beginnen. Met de Ex was hij vier jaar samen geweest. Fokking vier
jaar! Mijn langste ‘relatie’ was meteen ook mijn allereerste. Ik was zeventien
en dolverliefd. Vijf maanden later was ik het beu. Dat kàn geen goed teken
zijn. Ze is ook zo anders dan ik. Zij is blond en slank in die mate dat ik “eet
iets!” riep naar de camera. Ik heb oranje manen en ben daar waar het hoort
behoorlijk voluptueus. Piercings sierden haar gezicht. Ik heb een bescheiden gaatje
bovenaan mijn rechteroor dat geldt als rebellie en eeuwige vriendschap met mijn
‘kliekje’ toen ik veertien was. Voor de rest is mijn lichaam ongeschonden.
Met tranen
in mijn ogen zette ik de camera terug op tafel. De koude koffie smaakte
vreselijk. De sigaret die erop volgde kon mij niet kalmeren. Ik bedacht de
meest ridicule excuses om te gaan lopen en Vagebond een leeg huis te laten
aantreffen. Ik goot mezelf een verse tas koffie uit en ging moedeloos in de
zetel zitten. Niño kwam miauwend tussen mijn benen kronkelen waardoor ik koffie
morste. Goedele moest eraan geloven en net toen ik vloekend met keukenpapier haar glossy
hoofd schoonveegde, viel mijn oog op de titel van een artikel: “Pijpen met
piercings. Pijn inc.”
Ik
schaterde en kuste Goedele vol op de lippen. Merci, Goedele. Merci.
Soms ben ik
toch zo’n wijf. Zo’n verachtelijk wijf. Zo’n wijf dat niet buitenkomt bij een bad hairday of vijf minuten voor ze echt de deur uit moet - wil ze
haar bus nog halen - nog een andere outfit aantrekt omdat ze er te veel of net
te weinig als een hoer uitziet. Een wijf zijn, is een sleur.
Als ik in
zo’n wijvenbui verzeild ben geraakt (waarschijnlijk aan de vooravond van een
ultramegahip feestje), kom je als onervaren toeschouwer best niet te dichtbij.
In mijn hoofd heb ik alles dagen op voorhand piekfijn uitgekiend: ik zal
opstaan als een mottig mormel, een boterham met Nutella (ik hoop dat ik hier duusd gratis potten voor krijg:
Nutella!Nutella!Nutella!) in mijn onfrisse ochtendmond proppen, een sloot
veel te straffe koffie slurpen, mij in de kattenzetel nestelen met mijn laptop
en nog meer koffie (en gedurende de komende uren kattenhaar uit mijn kleren,
toetsenbord, mond en koffie plukken…causaliteit, gotta love it) en de dag laten
voorbijglijden met Gossip Girl, Scrubs en Facebook als mijn gezellen.
Rond een
uur of vijf ga ik dan het vuurtje
gaan aansteken in de badkamer en ga ik mijn outfit halen. Die ligt -uiteraard- al
klaar sinds de avond voordien, al dan niet enkel in mijn hoofd. Ik laat het
water van mijn douche lopen (ik ben jaloers op huizen die warm water hebben
binnen de dertig seconden) en check of al mijn benodigdheden binnen handbereik staan. Mijn shampoo voor gekleurd
haar (maar ik poep nog steeds goed
hoor), conditioner, haarmasker, scrub, puimsteentje, douchegel,…you name it. Je
vermoedt al dat dit hele gedoe een hoop tijd in beslag neemt. Tegen dat ik,
naar mijn normen, impécable de
badkamer verlaat en de deur uitga, zijn we ettele uren verder.
Mabon,
hierover gaat deze blog helemaal niet. Het gaat erover dat er een moment komt
waarop dat allemaal geen zak meer
uitmaakt. En dat moment heeft vaak een penis.
Als ik bij
Vagebond ben, en dat klinkt heel melig maar het is echt wel zo, valt die
sois belle-last van mijn schouders. Niet dat ik opeens ongeschoren en
ongewassen zijn lakens induik (fuck, no!) maar het is opeens niet meer zo
essentieel. Na de ochtendlijke gezamenlijke douche, hangt er geen milligram
make-up meer aan mijn sproetenkop. Aan het prille begin van onze relatie hield
ik nog angstvallig een toiletzakje met the
essentials achter de hand. Mascara, verfrissende doekjes, dagcrème,
lipgloss,… het wijf in mij kon het niet laten. Zo kon ik aan de ontbijttafel
verschijnen met dezelfde gratie waarmee ik de avond voordien zijn bed was
ingedoken.
Eenmaal ik
besefte dat hij ook, misschien zelfs liever, naar de bakker zou lopen en eitjes
voor me zou koken als ik met mijn mottige ochtendkop naar beneden strompel, was
de beslissing snel gemaakt (fair enough: ik was ook mijn toiletzak vergeten). Ondertussen
is zijn bed ons kleine fort van dons, zijn douche een geweldige oefenlocatie
voor onze Kamasutramissie en zijn kleren een tweede huid geworden. Toegegeven:
zo’n rauwe aftersexlook nodigt ook enkel uit tot meer. Ochtendstond heeft…euh.
Gisterennacht
kwam ik op het idee om dit te schrijven. Toen Jazz onder mijn donsdeken kroop
en zich tegen mij aan nestelde. Lepeltje liggen kan ze helaas niet. Ze voelt
het liefst van al mijn hartslag tegen haar voorpoten kloppen.
Voor zij
die dachten dat ik hier even een exposé ging geven van mijn nieuwste muzikale
ontdekking: tant pis. Jazz kan me enkel bekoren als ik tijdens de vroege, late,
volle en halve uurtjes aan de toog van het Damberd hang of als ik op een zwoele
zomernacht een passionele hengst tussen de lakens heb. Liever beesten dan
mensen in mijn bed, zo blijkt.
Het zou
niet de eerste keer zijn dat ik het idee van crazy old catlady als zeer
realistisch toekomstbeeld in mijn hoofd prent. Jazz is nu al mijn
surrogaatbaby: dat jankt nu en dan, moet genoeg eten en drinken krijgen en kakt
zo vaak dat ik er soms gewoon een kurk in wil rammen. Het verschil lijkt mij
niet noemenswaardig. De voordelen daarentegen…don’t get me started. Mijn tepels
moeten geen kloven verduren, de rest van mijn lijf blijft strak en striemvrij,
ik moet niet in het holst van de nacht opstaan om hongerige buiken te stillen,
er zijn geen grootouders die je elke week moet entertainen en de kans dat er
echt een lelijk geval bijzit, is zeer klein. En zelfs een schele kitten blijft
een cute little ball of fur.
Ik ben
eigenlijk een grote fan van surrogaten. Waarom verse soep maken als je even
goed een zakje gezelligheid kan oplossen in kokend water. Waarom aan de
nieuwste trends bakken geld uitgeven als je ze luttele maanden later in de
betere madeinbangladeshmegastore
terugvindt? In beide gevallen kan je een opmerking maken over kwaliteit, maar
zo gaat dat met surrogaten. Het is een gemakkelijkere maar ook minderwaardige
bevrediging. Ik maak me er niet druk om. Mijn kwantitatieve hedonistische
trekken zijn dominanter dan hun kwalitatieve collega’s.
Dus ja, het
is misschien een tikkeltje zielig om te bekennen dat ik liever de lakens deel
met mijn kat dat met een echte vent, maar onbekend maakt onbemind. Ik ben
openminded genoeg om het een kans te geven, maar ik waarschuw alvast: ik eis
ruim de helft van het bed op en Jazz houdt van (los)hangende speeltjes. Een
boxershort is dus aangewezen.
Misschien
ben ik van de oude stempel. Ik ben gebloemd uit een generatie die met een grote
fuck you naar de wereld keek. Volwassen zijn was niet het Begeerde Goed. We
wilden niet met onze neus op de rottende feiten die onze toekomst waren, gedrukt
worden. We droegen bekladde Eastpakrugzakken, Killah Babe broeken die tot aan
de knieën doorweekt waren bij de minste bui en slenterden rond in sk8schoenen
met felgekleurde veters. Greenday was nog niet aan een comeback toe en een douchende papa was
de enige vent die we tot dan toe naakt hadden gezien.
Maar nu
word ik onder de voeten gelopen door Geile Huppelkutten (in’t West-Vlaams een
perfecte alliteratie). Ze zijn praktisch net van de tiet en zoeken al een
alternatief om hun zuigreflex op de oefenen. En die vinden ze. Bij Onze Mannen.
Je kan het hen niet kwalijk nemen. Niemand is tegen ze opgewassen. Zelfs ik betrap
mijzelf op een occasionele staarsessie als zo’n wulpse leeuwin mijn pad kruist.
Gehuld in een strakke skinny jeans (zo
van die broeken die enkel voor 14 tot 18-jarigen ontworpen zijn blijkbaar, want
mijn heupen schreeuwen na anderhalf uur om vers bloed), op torenhoge hakken en
de haren schijnbaar argeloos opgestoken maar uiterst doeltreffend om te grijpen
tijdens een sessie doggy style.
Ze hebben
het piekfijn uitgedokterd, deze jailbaitnymfomanen. Ze walsen onze feestjes
binnen en winden (al dan niet prille) twintigers rond hun hoerenroodgelakte
vinger. En mijn generatie vrouwen (al zit er maximaal een leeftijdsverschil van
acht jaar tussen), die grootgebracht zijn met de normen en waarden die preken
over zelfrespect en haar op je tanden, kunnen enkel machteloos toekijken.
Terwijl wij hen een pint willen trakteren (zo feministisch zijn we wel),
trakteren zij onze mannen op een degoutant diepe cleavage en een onzichtbare,
maar zeer leesbare “easy”-stempel op hun voorhoofd.
Het is een
onbegonnen strijd. We kunnen enkel wachten tot de opposite sex zijn verstand
terugkrijgt, nadat ze inzien dat deze Sesamstraatsletjes er
zelf geen hebben. Op het einde van de rit winnen wij wel. Niet omdat we braaf
en frigide zijn. Integendeel. Maar we hebben tenminste een persoonlijkheid. En
met een beetje chance: aan het tempo dat zijn hun benen spreiden, ben ik op
mijn dertigste nog tight as a baby in tegenstelling tot hun verlepte flamoes.
Dus
meisjes, stop met de clips van 50 Cent als toonvoorbeeld van klasse te zien.
Gaven ze mij 500 dollar per uur, ik stond daar ook in een gouden bikini rond
een paal te draaien. Maar de kans is klein dat ze in mijn curves een goudmijn herkennen, noch in die van u. Dus probeer het
eens met een gesprek, charme en een portie geflirt on the side. Het loont waarschijnlijk de moeite. En zie dit niet
als een goede raad, maar een waarschuwing. We hebben nog wel wat grof geschut
achter de hand.
Dit artikel schreef ik voor het Gentse studentenblad Schamper, maar kon gerust ook hier gepost worden. Enjoy :)
Misschien ligt het aan mijn oestrogeengehalte: hoe hoger de hakken,
hoe voller de zakdoek. Maar ik ben al zo vergevorderd dat platte
schoenen mij waarschijnlijk niet meer kunnen helpen. Een hopeloos
geval: ik ben een bleiter. Als kind al schreeuwde, neen,
brieste ik naar de documentairemakers dat ze dat arme zebra’tje dienden
te redden uit de klauwen van die gruwelijke leeuwen.
Mijn naïeve
rechtvaardigheidsgevoel speelt mij nu nog steeds parten. Ik ben een
makkelijke prooi voor mannen met een al te ijverige troostende
schouder. En net omdat ik zo makkelijk naar de doos Kleenex grijp, is
mijn taak vandaag moeilijker dan ooit: mijn tien ultieme bleitfilms
met jullie delen. Wie deze films niet kent en een date in het
vooruitzicht heeft: u weet wat u te doen staat. Wie bij deze films geen
traan laat: u heeft geen hart.
Op nummer tien, maar eigenlijk voor eeuwig op nummer een in mijn kinderhart: Frank en Frey.
Het verliezen van een ouder, wat bij Bambi en Simba de snotvodden
boventoverde, wordt in deze Disneyprent omgezet naar een algemene
verlatingsangst: veel harder en droeviger dan al de kinderklassiekers
samen. Op nummer negen dan de enige klassieker in het lijstje: E.T. Ik kon er niet onderuit. De charme van geen sequel (fuck you, Bambi II) te hebben: E.T. is en blijft weg. Snif.
Over
nummer acht kan worden gediscussieerd, maar voor mij is een huilfilm
pas écht geslaagd als ik mij levendig kan herinneren op welke momenten
de tranen begonnen te rollen. Bij The Green Mile bijvoorbeeld zijn er talloze scènes die mij de volgende dag gezwollen ogen opleveren. Van de muis tot de gigantische neger, van de sadistische cipier tot de executie van ettelijke gevangenen. Dat geldt evenzeer voor The Notebook,
die op nummer zeven bengelt. De meeste vrouwen zullen mij geen ongelijk
geven: zelden werd een liefdesverhaal zo mooi en zo intens op een
scherm gekleefd. Dat het onze testosterongeladen wederhelften weinig
doet, is begrijpelijk. Ik zie het even door de vingers.
Bijna had ik blockbuster The Gladiator op nummer zes gezet, toen ik besefte dat Russel Crowe een veel hoger zakdoekgehalte heeft in het prachtige A Beautiful Mind. De hele film bouwt op naar die ultieme zin: “You are the only reason I am… you are all my reasons”. Zet de sluizen maar open!
De slotzin bij uitstek die zelfs de grootste macho op zijn knieën
dwingt is uiteraard: “Oh Captain! My Captain!” uit het meesterwerk Dead Poets Society.
Alleen al om Dr. Wilson (voor de onwetenden: boezemvriend van Dr.
House) in zijn jonge jaren aan het werk te zien, is deze film een
aanrader en plaats nummer vijf meer dan waard.
De nummers vier en drie zijn misschien minder bekend. Het gaat respectievelijk om In America en Mar Adentro.
In America toont het verhaal van een Iers gezin dat het groene gras
opzoekt in de Verenigde Staten, maar ook de mollen uit de tuin heeft
meeverhuisd. Stervende mensen zijn voor bleiters hetzelfde als een
seksistische opmerking voor Goedele: de druppel.
De enige Spaanse film in het rijtje, Mar Adentro, zou in ieders
dvd-kast moeten staan. Met als hoofdthema euthanasie is het niet meteen
de meest licht verteerbare film, maar de muziek alleen al (waaronder
Paul Potts stokpaardje Nessun Dorma) bezorgt iedereen kippenvel.
Mijn nummer twee ontdekte ik op een willekeurige avond Wijftv. Dan vraag je natuurlijk om problemen en The Life Of David Gale is dat ongetwijfeld voor mensen zoals ik. Een ijzersterke prestatie van Kevin Spacey die on death row
zit voor een misdaad die hij niet gepleegd heeft, enkel om aan te tonen
hoe vaak onschuldige mensen ter dood worden veroordeeld. Elementen
genoeg om de volgende dag koude theelepeltjes nodig te hebben.
Mijn
gedoodverfde nummer een is een tekenfilm over konijnen. Jawel. Een
tekenfilm voor volwassenen, weliswaar. Ik was misschien te jong om te
beseffen dat Watership Down Animal Farm-gewijs onze
maatschappij moest voorstellen, wat mij bijgevolg deed nagelbijten tot
ik op het einde verlost werd en op de tonen van Simon & Garfunkel’s
Bright Eyes de stortvloed aan tranen rijkelijk kon laten stromen. Deze
film kan je beter niet als datematerial gebruiken: voor haar oogt het nadien niet erg elegant meer en wegens een overload aan drama zit scoren er voor hem nadien niet meer in. U weze gewaarschuwd. Veel snotgenot.
Het moet maar eens gedaan
zijn met dat gezever. Voor mij hoeft het niet meer. Gooi het allemaal maar op
een hoop en fikken die handel. Elk roosblaadje, elke verlovingsring, elke biep
van het antwoordapparaat met bijhorende melige boodschap: ik wil het nooit meer
zien. Dood aan de chickflick!
Deze middag besloot ik
mezelf maar weer eens te kwellen: ik bekeek “He’s just not that into you”. En
ik die stomweg geloofde dat deze film komaf zou maken met de clichés van de wijvenfilm kreeg maar weer eens een bord
zeemzoet gekwijl voorgeschoteld. Het begon allemaal veelbelovend hoor. Vrouwen
moeten eens leren om niet nodeloos te wachten op een vent. Maar op het einde
van de rit zijn het de meest logische koppels die worden gevormd en gebroken: het
eeuwige koppel dat uiteindelijk toch trouwt in plaats van water bij de wijn te
doen, de naïeve hippie die het geluk voor haar neus vindt, de getrouwde highschool
sweetheart die zich een scheiding op de hals haalt omdat hij de charmes van
Scarlett Johansson niet kan weerstaan (like, duh) en de wanhopige seut die bij
haar uithuilschouder uiteindelijk 50 centimeter lager belandt. Stereotypering:
denk je?
Het is ook gewoon niet
waar. Als ik op een feestje aangesproken wordt door een kerel die met mijn pink
nog niets zou kunnen aanvangen, dan geef ik mijn nummer niet. En als ik het met
mijn zatte botten toch doe omdat hij er toch zo schattig uitziet (met jailbait
kom je dat wel eens tegen), dan breek ik bij het eerste telefoontje als zijn
hart. Of toch zeker zijn hoop.
Die enkeling die mij compleet
omver weet te blazen, zal mij niet betrappen op hopeloos geknies en gekakel. Ofwel
gebeurt het, ofwel niet. Zo simpel is het toch? Als hij niet belt, wil hij je
niet. Daar moesten ze voor mijn part echt geen film voor te maken.
Maar ik geef toe, er zijn
hindernissen op de baan. Zo weet ik zelf nooit of ik wel de goede keuze maak. De
20-jarige bezopen, vers uit de schoolbanken geperste lasser kan binnen tien
jaar wel mooi zijn brood verdienen, gek zijn op kinderen, Claus appreciëren en
een adonislichaam hebben. Maar dat zie je niet als hij je gewoon staat aan te
gapen vanaf de andere kant van de zaal en ook niet als hij, ogen gefixeerd op
je boezem, komt melden dat rood je geweldig staat.
Hetzelfde geldt voor de
beginnende dertiger die begonnen is aan zijn boek over het Europa van de
toekomst, lesgeeft aan veertienjarigen, een geweldig lijf heeft, maar je nauwelijks
durft aanspreken als zijn übersociale vrienden je helemaal inpalmen. Het is
soms hartverscheurend als je merkt dat je hart niet scheurt voor dit soort
mannen.
Er valt dus geen
liefdesbijbel op te stellen. Goed geprobeerd, Goedele, maar het is overbodig. Een
overdosis info doet een mens alleen maar twijfelen aan zijn competenties. Smijt
ze dus buiten, die films die u achteraf doen denken ‘dat het aan u ligt dat ge
nog niet van’t straat zijt’ en die boeken die u beloven dat ge waanzinnig goede
seks gaat hebben ‘als ge maar genoeg met elkaar praat in de slaapkamer’. Ik trek
nu mijn nieuwste kleedje aan, mijn rode laarsjes en ik ga swingdansen. En diegene
die vanavond in mijn bed belandt, hoort enkel de woorden “oh” en “ja”. Als hij
het verdient.
De
prinses zat rusteloos in haar rijtuig. De uren durende rit van de ene grootstad
naar de andere was geen pretje. Haar koetsier verzekerde haar dat de paarden op
hun snelst reden, maar het leek alsof de galopperende hoeven het ritme van haar
hartslag niet konden volgen. Haar jurk stoorde haar, en ze keek voor de
honderdste keer in haar handspiegel om te kijken of haar poeders en olieën hun
werk deden.
Hij
stond haar op te wachten aan de standplaats van de koetsen. Hij begroette haar
met een lieflijke handkus en troonde haar mee, verder de stad in. Ze zag de
mooiste plekjes, het rustig kabbelend kanaal, geliefden die arm in arm liepen,
het paard aan de hand meegevoerd. Ze werd gewaarschuwd door haar prins voor de
enkele schavuiten en boeven die de streek onveilig maakten, maar met hem aan
haar zijde kon de meest bloeddorstige rabauw haar hooguit doen lachen.
Ze
hielden halt aan een lokale kroeg, waar hij de deur voor haar openhield en ze
in een sfeer van kaarslicht en zacht getokkel van de luit keuvelden over alles
wat in hen omging. Enkele lokale handelaars en bewoners keken argwanend haar
kant uit, want een prinses uit een naburige stad kregen ze hier zelden over de
vloer.
Toen
het hen te heet werd onder de voeten, besloten ze het drinkgelag aan te vatten
in een kleiner staminee. Het was er donker en ze namen plaats aan de bar. De
waard schonk hen een lokaal gebrouwd bier in en algauw werd de sfeer
gemoedelijker. Na uren praten en onschuldig geflirt, realiseerde de prinses
zich dat haar rijtuig binnen enkele minuten zou vertrekken, omdat de koetsier
en de paarden tijdig de stadspoort van Gent moeten binnenrijden. De prins
stelde haar gerust: in zijn kasteel was er nog wel een kamer vrij, nu zijn
bediendes en knechten vrij hadden voor de paasweek.
Ze waarschuwde
hem dat ze haar deugdelijkheid niet te grabbel zou gooien, hoe lieflijk hij ook
overkwam. Hij verzekerde haar dat hij een dergelijk onkuis idee niet op zijn
palmares wilde. Ze glimlachten en even had ze spijt van haar berispende
opmerking.
Aangezien
zijn kasteel een eindje verderop lag, stelde de prins voor haar te brengen op
zijn ros. Maar de prinses wilde de stad zien en dus leidde hij zijn paard aan
de hand langs kleine wegeltjes en bloemrijke paden. Aangekomen aan het kasteel,
bemerkte de prinses dat haar ogenschijnlijk perfecte gezel het op zijn eentje
niet redde. Overal lag te wassen linnen, gewassen linnen, eetgerei en
schoeisel. De prinses tilde haar rokken op om een gênante val te vermijden. De
prins lachte. Hij had er duidelijk geen problemen mee.
Hij nam haar mee naar de
troonzaal, waar ze samen geëntertaind werden door minnestrelen en narren. Plots
kreeg de prinses een lieflijk minnende zoen op haar wang. Het amusement
verdween uit haar gezichtsveld en ze was helemaal in de war. Haar hoofd
schreeuwde om een vluchtroute, haar hart smeekte om meer. Ze verzocht de prins
haar kamer te tonen, waar hij hoffelijk afscheid van haar nam.
“Waar
heb ik die kus aan verdiend?” vroeg ze terwijl hij de kamer uitliep.
“Omwille
van uw lumineuze schoonheid” antwoordde hij.
“Vlijer!”
riep ze hem nog na.
Ze
hulde zich in zijn gewaden, want door de plotse beslissing om te blijven, was
ze niet voorzien op deze situatie. Het royale bed verwelkomde haar gretig. Zijn
geur hing overal en ze sliep als een roos. Geen erwt zou haar wakkerhouden.
De
volgende ochtend toonde hij in al zijn glorie dat hij de titel prins waardig
was. Hij toverde een rijkelijk ontbijt tevoorschijn waardoor de prinses zich
schaamde om haar frigide reactie de avond voordien. Ze wilde het graag
goedmaken en hem ter plekke kussen, maar ze bedacht zich. Zo hoort een prinses
zich niet te gedragen.
Hij
bracht haar naar zijn rijtuig dat haar naar Gent zou terugbrengen. Hij hielp
haar instappen en wederom werd ze verrast door haar besluiteloosheid. Ze zou
moeten blijven en hem tonen dat ze niet zo ondankbaar was als ze overkwam, maar
haar vader verwachtte haar tijdig terug op het kasteel.
Ze keek om, blies hem
een laatste kus toe en hoopte dat hij die zou vangen.
Het
is hier ondraaglijk koud zonder u. Ge zou mij moeten zien zitten nu, naakt
onder mijn deken. Als ik opsta, zie ik mijzelf in de spiegel. Geen geheimen
meer, ook niet voor u. Het is tegenwoordig abnormaal om van uzelf te zeggen dat
ge’r goed uitziet. Elke vrouw moet hunkeren naar naalden en pompen die haar
lijf Playboyproof maken. Ik hunker enkel naar u. Waar blijft ge toch? Zijn mijn
lippen te droog, mijn borsten te klein, mijn kont te dik? Laat ge daarom op u
wachten? Dan moet ik u teleurstellen. Ik kan labello smeren tot ik frieten kan
bakken op mijn lippen, push-up beha’s dragen tot ik mijn kin op mijn borsten kan
laten rusten en magisch (w)ondergoed dragen waardoor mijn derrière er plots als
een perfect, pitloos perzikje uitziet. Maar op dit moment, voor deze spiegel,
vallen al die maskers weg. En dan nog zeg ik dat ik er begeerlijk uitzie. Om op
te vreten. Dus, mijn lief, aan mijn lijf kan het niet liggen.
Is
het mijn grote mond dan? Ik heb het hart op de tong en heb vaak genoeg het
schaamrood voelen stijgen tot in mijn haarpunten als ik weer eens te pas en te
onpas laat uitschijnen dat de joden wel eens mogen ophouden met zeiken, of dat
mijn dochter nooit zal lijken op die 16-jarige huppelkutten die tegenwoordig om
twee uur ’s nachts, dronken en halfnaakt in de Overpoort strompelen. Ik straf
mezelf vaak genoeg om deze labiele uitspraken. Laat dat niet de reden zijn van
uw talmen.
Komt
ge iets later? Smaakt uw Leffe zo goed dat ik even op mijn honger moet blijven
zitten? Dat begrijp ik. Maar reken niet altijd op zoveel begrip. Ik heb tonnen
aandacht nodig, overgoten met een bitterzoete saus van zelfontplooiing en
onafhankelijkheid. Ik kan de stad veroveren op torenhoge hakken, slurpend aan
een caipirinha terwijl ik mijn nieuwste artikel nog eens controleer op
dt-fouten. Zolang ik ’s avonds (met behoorlijk pijnlijke voeten) maar naast u
kan neervlijen, speel ik met graagte het spelletje mee van de vrouw van de 21e
eeuw.
Mn
lief, het wachten valt me zwaar. Ik heb het er steeds moeilijker mee mijzelf
wijs te maken dat het mij niets kan schelen of ge hier zijt of niet. Want dat is zever. Niet wie mooi wil zijn moet
lijden. Wie liefde wil, dié moet lijden. Is het dan verkeerd om naar u te
hunkeren, om de nachtelijke gesprekken te missen, uw erbarmelijke kookkunsten
die ik toch naar binnen werk omdat ik weet dat ge’r zoveel werk hebt ingestoken
en ge eigenlijk gewoon een klein kind zijt, op zoek naar bevestiging? Is het
een kwestie van puur masochisme als ik zeg dat ik de nachten mis waarop ik de slaap
niet kon vatten omdat ge om de tien minuten rillend van de koorts wakker werd
en uw gal meer naast dan in de emmer spuwde?
Ik
zal dan maar blijven zitten. Hier. Naakt. Af en toe eens rechtstaan en mezelf
bekijken in de spiegel om me ervan te vergewissen dat ik niet plots wat ben
beginnen uitzetten of hangen waar het nog niet hoort. Wachtend. Tot ge aanklopt.
En ik zonder gêne de deur opendoe omdat ik weet dat ge mij graag ziet in al
mijn facetten. Ge knijpt speels in dat beginnende rolletje aan mijn zij. Waarna
ge dat kartonnen doosje opendoet en mij vol trots een perfect stuk sachertorte
aanbiedt, vers uit Wenen. Vandaar dat het zo lang duurde. Het is u vergeven.
My Little Pony
jarig | Mijmeringen
|
13 Februari 2009 | 14:11:19
Na tweeëntwintig jaren in
dit leven maak ik een testament op van mijn jeugd. Volgens mijnheer De Groot is
het nu dus gedaan met spelen. Tijd voor het serieuze werk. Maar wat maakt van tweeëntwintig
dan zo’n mijlpaal? Komt het besef van de teloorgang van je jeugdige jaren niet
veel vroeger?
Zoals wanneer je beseft dat baby Shelly er pas komt als papa Ken
en mama Barbie met respectievelijk zaadcel en eicel een kind verwekken. Of
wanneer je opmerkt dat Sinterklaas veel wegheeft van de slager op de hoek die
je elke week een bolletje gehakt meegeeft om van te snoepen.
Als je kinderlijke
fantasie de werkelijkheid niet langer kan verhullen, is dat niet dé mijlpaal
waar iedereen nostalgisch naar teruggrijpt? Mijn jeugd was dus al voorbij op
mijn twaalfde. Hoer-a.
Misschien gaat het wel
over de toekomst en de verantwoordelijkheiden die daarbij van je worden
verwacht. Je kan wel studeren tot halverwege je twintiger jaren, maar dat wil
niet zeggen dat de “volwassenheid” op zich laat wachten. Waar op je achttiende
de vraag naar een vriendje op elk familiefeest als een plicht der ooms en
tantes werd gezien, wordt deze vraag vier jaar later ook door neven, nichten en
grootouders gesteld, vergezeld van de ongeruste blik die je doet twijfelen aan
je eigenwaarde en de keuzes die je hebt gemaakt om die te definiëren.
Een
welgemeende fuck you is alles wat ik er op te zeggen heb. Aan mijn vinger wordt
de eerstkomende tien jaar geen ring geschoven. Het zou ook geen zicht zijn,
klein en worsterig als ze zijn.
Jonge mensen zijn tegenwoordig manusjes-van-alles. Ze konden 40 jaar geleden
beter hoofdrekenen omdat de leraar met een lat op je vingers sloeg als je
niet binnen de vijf seconden antwoordde. Ik daarentegen ben een wiskundige loser maar ik heb wel een
rekenmachine. So shoot me.
De eindeloze discussies over het al dan niet beter
zijn van vroeger of nu, die ik ontelbare keren heb gevoerd met mijn vader,
hebben enkel geleid tot de conclusie dat de maatschappij evolueert en andere
eisen stelt. Applaus voor het cliché. Mijn vader rekent wel uit hoeveel procent
van mijn loon naar de belastingen gaat, ik maak voor hem de
powerpointvoorstelling die zijn cursus begrijpelijk moet maken voor zijn
studenten. Quid pro quo. En als hij er niet meer is, heb ik nog steeds mijn
rekenmachine.
Tweeëntwintig is dus
hoegenaamd geen mijlpaal. Het kind in mij is al lang dood. De volwassene in mij
wordt net geboren. Tante en oma mogen nog een aantal jaar ongemakkelijk op hun
kerststoel schuifelen als ik uitleg dat een man hoegenaamd niets zal veranderen
aan het vuilgebekte mormel dat ik nu ben. Ik kan nog wel even doorgaan met het
feesten tot zonsopgang en het legen van mijn maaginhoud in de Gentse goot terwijl een
vriendin mijn haar vasthoudt.
Ik doe niet mee aan de hele hetse van settelen en
sparen. Het is moeilijk om iemand te verliezen, maar het is nog veel moeilijker
om iemand dichtbij te laten komen. Ik heb nog geen zin om de risico’s onder ogen
te zien. In het land der blinden, weetjewel.
Ik kreeg voor mijn
verjaardag een My Little Pony cadeau. Ze heet Minty en doet een kunstje als ze
in warm water wordt gedoopt. Vijftien jaar geleden had ik de verpakking
opengescheurd. Nu staat het beestje, verpakt en intact, op mijn bureau. Testament
van mijn jeugd.